Pagina's

vrijdag 17 april 2026

Verhalen van mijn vader (12)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Zingen "Flink in de pas loop ieder mee, manke Hein en kleine Kee", zong Toon Postel, mijn oom, op gezellige bijeenkomsten. Een borreltje trok hem altijd over de streep. Je kunt het niet meer meebeleven, want hijzelf, zijn gestalte, zijn vrolijke gezicht en zijn timbre ontbreken.

Tientallen jaren later lopen we in Frankrijk bij Faverges, en ineens schiet dat lied me te binnen en zing ik het in de maat van mijn pas. Vreemd.

Zo gaat het steeds, de laatste jaren: er welt ineens iets in me op, een recent lied, een vroegere melodie of een tekst die me bijgebleven is. "Hey, molentje, molentje, hoog in de lucht, wat sta je weer dapper te draaien. Je doet of je 't uiterst noodzakelijk vindt, het licht van de zomer te maaien ..." en dan aarzel ik. Kloppen de woorden wel?

En ik denk: hoe zou zo'n lied ontstaan zijn? Hoe kwam Beethoven op: "Signor Abate! Io sono, io sono, io sono ammalato. Santo Padre vieni e date mi la benedizione, la benedizione. Hol' Sie der Teufel, wenn Sie nicht kommen, hol' Sie der Teufel, wenn Sie nicht kommen. Hol' Sie der Teufel." Of is alleen de melodie van hem?

Hoe kwam meester Van Erp erbij om ons dat in de vierde klas van de lagere school, in het jaar van de hongerwinter, te leren?

vrijdag 3 april 2026

Verhalen van mijn vader (11)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Onkruid

"Onkruid bestaat niet. Wie het over onkruid heeft, zegt dat uit onkunde", zeg ik wel eens. Maar wie het uit een ander oogpunt beziet, heeft eveneens gelijk.

Langs de Dorpsstraat van Assendelft liggen enkele honderden vierkante meters grond van Rijkswaterstaat, waar ik mocht zaaien, oogsten, wieden, spitten, snoeien en kijken. Waar ik kon begrijpen hoe het welig tierende straatgras, het uitdijende zevenbladgebied en de zich ondergronds vertakkende brandnetels de taal beïnvloeden en hoe mensen die van de opbrengst van hun akker moeten leven ertoe komen rigoureus weg te ruimen wat afbreuk doet aan hun inkomen. Want het kost veel tijd om je tuin ertoe te brengen alle gewassen tot hun recht te laten komen. De spontaan opgekomen bessenstruik mag groeien, van de tientallen toortsen mogen er heel wat blijven, een vlier, een els en een lijsterbes krijgen een andere plaats en muur is een goede bodembedekker.

Dus wat in de bijbel staat, "laat het opgroeien tot de oogst", geldt maar beperkt. Je móet de kastanjes, van de buren en jezelf, oprapen, zoals je de esdoornopslag en de andere in-de-weg-zitters moet opruimen, als je tenminste nog wat wilt oogsten.

Is het in jezelf ánders? Moet je niet snoeien en inperken om het goede kansen te geven, ook al weet je dat onkruid nooit helemaal vergaat, ja zelfs moet blijven?