De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Bazen en knechten
Hoe kom je tot de aanvaarding van je knecht-zijn, hoe leer je een goeie baas te zijn, als je ooit in zo'n baas-knechtsituatie komt?
"Een appeltje, knecht?", was bij ons thuis een gevleugeld woord en nóg zeg ik het wel eens. Afie van der Jagt, de eega van Bertus Kamper, buren van ons, heeft dat meer dan eens aan me gevraagd. In de boomgaard naast hun huis stonden tientallen appelbomen. Het woord knecht had in die tijd, in die omgeving, een liefdevolle betekenis.
Zoals ik het knecht-zijn gevoeld heb, namelijk zoals een vorm van erbij horen, is het niet erg. Als me toen ik jong was gevraagd werd iets te doen, dan deéd ik dat. Ik denk dat het in mijn genen zat en het was in die tijd vanzelfsprekend dat je meehielp. De oudste in een gezin moest dat in ieder geval. Wie niet stekeblind was, dat het niet anders kón. Aan de andere kant, die van het baas-zijn, gold diezelfde vanzelfsprekendheid.
Ik weet niet of het strijd kostte om zover te komen. Ik herinner me dat niet. Maar het werken op het land in de tuinbouw gedurende de zomervakantie, betekende slechts een variant op wat we gewend waren: thuis helpen met aardappels schillen en met schoenen poetsen, in de winkel helpen, bestellingen rondbrengen en spullen halen bij de grossiers.
Aan de aantallen keren dat ik niet naar school ging, aangetekend op het rapport van de zesde klas, is te zien dat er thuis af en toe veel hulp nodig was: tussen 1 april 1946 en de zomervakantie verzuimde ik twaalf keer. In de volgende trimesters respectievelijk vier keer en drie keer. (NB het schooljaar begon in april)
Leven was voor een groot deel werken en het was gewoon.
Achteraf kun je je verbazen over de werktijden en over de geringe beloning, maar als knechtje of arbeider of werknemer of helper leer je tegelijk wat goed baasschap is.
1 uur geleden


Geen opmerkingen:
Een reactie posten