Posts tonen met het label verhalen van mijn vader. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen van mijn vader. Alle posts tonen

vrijdag 22 mei 2026

Verhalen van mijn vader (17)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Buurtgenoten

De straat was ons speelterrein voor trefbal, touwtje springen, hinkelen en voetballen. Dat kón toen nog. Als we voetbalden waren de doelen, ter breedte van de halve straat, bij de putjes, de ijzeren roosters waardoor het hemelwater naar het riool ging. Ik schat dat het speelveld veertig meter lang was.

We speelden voorzichtig: geen hoge verre trappen, maar samenspel over de grond. Want we wilden zo weinig mogelijk overlast bezorgen. Toch belandde de bal soms in het voortuintje van deze of gene buurtgenoot. Dat was bij de ene buur minder erg dan bij de andere. Er waren er van wie je voelde dat er helemaal geen ergernis was, maar bij anderen moest het niet te vaak gebeuren. Bij de een kon je openlijk de bal pakken, bij de ander moest je het ongemerkt proberen te doen.

Het stiekemst moest het bij vrouw M. Die was komen wonen in het huis van buurman en buurvrouw Ruyter. Vrouw M. ging door voor een communist, maar of dat ermee te maken heeft betwijfel ik. Voor elke bal die over haar dichte hek terechtkwam, moest je én snel én steels te werk gaan: gauw het poortje openen en onder de ramen doorduiken om de bal te pakken. Het was alsof ze altijd op de uitkijk stond, want meer dan eens repte ze zich uit de zijdeur om ons voor te zijn zodat ze de bal kon inpikken. En áls ze hem had, kreeg je hem niet meer terug. Nog erger was het wat ze ook wel eens deed: de bal doormidden snijden.

Vreemd, dat je zo'n eenzijdig beeld van de mensen om je heen kon hebben, vooral van de mensen die niet tot een kerk behoorden. Is het nu hetzelfde, nu we ouder zijn en vijfentwintig jaar in hetzelfde huis wonen?

Voorlopig is dit even het laatste verhaal van mijn vader. Er zijn er meer, maar daar komen bijvoorbeeld te goed herkenbare mensen in voor. Mogelijk vind ik later andere geschikte schrijfsels.

vrijdag 15 mei 2026

Verhalen van mijn vader (16)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Lange dunne

Als ik aan vis denk, denk ik aan Volendam, waar ik werkte van december 1958 tot augustus 1960. Ik was kostganger bij Henk en Gaar, een buschauffeur en zijn eega. Als Henk terugkwam van zijn late dienst, had hij vaak een gerookte makreel mee. Die nog warme vis aten we met ons drieeën op, 's avonds om half elf.

Het is geen wonder dat ik nog nooit zo zwaar ben geweest als in die tijd: vierenzeventig kilo. Maar misschien kwam dat ook door de lange dunne, zoals de ondermaatse palingen werden genoemd. Bij de palingvangst waren die per ongeluk opgevist, maar 's morgens voor dag en dauw, dus nog voor er gecontroleerd werd, ging Jan en alleman naar de botter van deze of gene bevriende visser om zijn of haar emmertje aal op te halen.

Ik zie nog de stukjes aal rechtop in het lage emaillen schaaltje staan, klaar om gegeten te worden. Hoe het bereid werd weet ik niet, maar voor ik in Volendam was had ik noch lange dunne noch gerookte makreel gegeten. Je zou zie tijd 'de periode van de lange dunne' kunnen noemen.

Thuis aten we vis op de vrijdagen die daartoe bij kerkelijke wetgeving waren uitgekozen, o.a. de quatertemperdagen die in de volksmond kwaaie temperdagen heetten. Maar welke vis we ook aten: aan graten had ik een hekel. De lekkerte moest zonder gepriegel genoten worden. Gerookte paling en gebakken bokking vond ik het lekkerst.

vrijdag 1 mei 2026

Verhalen van mijn vader (14)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
De afgebeelde volkstuin is overigens niet het 'landje' van mijn vader, daarvan bestaan alleen een paar analoge onduidelijke foto's.

Mest

Je land en je tuin behoeven mest. Bladgewas vergt veel mest, wortelgewas iets minder, vruchtgewas weinig. Zo doen we dat op het 'landje', de 580 vierkante meter die we van Rijkswaterstaat huren, een in de ogen van echte tuinders rommelig stukje grond, dat lang niet ten volle benut wordt.

Mesten is al moeilijk, want het zijn de bomen die er vermoedelijk het meest van profiteren. De zes appelboompjes staan dicht bijeen. Die krijgen eens in de drie jaar oude koemest, net als de bessenstruiken. Maar de grootste bomen, de esp of de ratelpopulier en de kastanje, slurpen met het water de voedingsstoffen uit de grond.

Maar hoe was dat in de oorlog, toen we in Broekerhaven woonden, in een tuinbouwgebied. Hoe kom je aan mest als bijna alles stilligt, zoals in de hongerwinter.

We hadden enkele appelbomen achter het huis, maar alleen onze eigen faecaliën konden uitkomst verschaffen. Ik zie nóg, dat mijn vader de emmer leegt, die onder de bril zijn verzameling bewaarde.

Oude mest schijnt het beste te zijn, koemest veel beter dan paardenmest, maar hoewel ik van deze dingen niets afweet, kan ik me niet voorstellen dat de appelbomen opbloeiden door die oorlogsactie.

vrijdag 24 april 2026

Verhalen van mijn vader (13)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Bazen en knechten

Hoe kom je tot de aanvaarding van je knecht-zijn, hoe leer je een goeie baas te zijn, als je ooit in zo'n baas-knechtsituatie komt?

"Een appeltje, knecht?", was bij ons thuis een gevleugeld woord en nóg zeg ik het wel eens. Afie van der Jagt, de eega van Bertus Kamper, buren van ons, heeft dat meer dan eens aan me gevraagd. In de boomgaard naast hun huis stonden tientallen appelbomen. Het woord knecht had in die tijd, in die omgeving, een liefdevolle betekenis.

Zoals ik het knecht-zijn gevoeld heb, namelijk zoals een vorm van erbij horen, is het niet erg. Als me toen ik jong was gevraagd werd iets te doen, dan deéd ik dat. Ik denk dat het in mijn genen zat en het was in die tijd vanzelfsprekend dat je meehielp. De oudste in een gezin moest dat in ieder geval. Wie niet stekeblind was, dat het niet anders kón. Aan de andere kant, die van het baas-zijn, gold diezelfde vanzelfsprekendheid.

Ik weet niet of het strijd kostte om zover te komen. Ik herinner me dat niet. Maar het werken op het land in de tuinbouw gedurende de zomervakantie, betekende slechts een variant op wat we gewend waren: thuis helpen met aardappels schillen en met schoenen poetsen, in de winkel helpen, bestellingen rondbrengen en spullen halen bij de grossiers.

Aan de aantallen keren dat ik niet naar school ging, aangetekend op het rapport van de zesde klas, is te zien dat er thuis af en toe veel hulp nodig was: tussen 1 april 1946 en de zomervakantie verzuimde ik twaalf keer. In de volgende trimesters respectievelijk vier keer en drie keer. (NB het schooljaar begon in april)

Leven was voor een groot deel werken en het was gewoon.

Achteraf kun je je verbazen over de werktijden en over de geringe beloning, maar als knechtje of arbeider of werknemer of helper leer je tegelijk wat goed baasschap is.

vrijdag 17 april 2026

Verhalen van mijn vader (12)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Zingen

"Flink in de pas loop ieder mee, manke Hein en kleine Kee", zong Toon Postel, mijn oom, op gezellige bijeenkomsten. Een borreltje trok hem altijd over de streep. Je kunt het niet meer meebeleven, want hijzelf, zijn gestalte, zijn vrolijke gezicht en zijn timbre ontbreken.

Tientallen jaren later lopen we in Frankrijk bij Faverges, en ineens schiet dat lied me te binnen en zing ik het in de maat van mijn pas. Vreemd.

Zo gaat het steeds, de laatste jaren: er welt ineens iets in me op, een recent lied, een vroegere melodie of een tekst die me bijgebleven is. "Hey, molentje, molentje, hoog in de lucht, wat sta je weer dapper te draaien. Je doet of je 't uiterst noodzakelijk vindt, het licht van de zomer te maaien ..." en dan aarzel ik. Kloppen de woorden wel?

En ik denk: hoe zou zo'n lied ontstaan zijn? Hoe kwam Beethoven op: "Signor Abate! Io sono, io sono, io sono ammalato. Santo Padre vieni e date mi la benedizione, la benedizione. Hol' Sie der Teufel, wenn Sie nicht kommen, hol' Sie der Teufel, wenn Sie nicht kommen. Hol' Sie der Teufel." Of is alleen de melodie van hem?

Hoe kwam meester Van Erp erbij om ons dat in de vierde klas van de lagere school, in het jaar van de hongerwinter, te leren?

vrijdag 3 april 2026

Verhalen van mijn vader (11)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Onkruid

"Onkruid bestaat niet. Wie het over onkruid heeft, zegt dat uit onkunde", zeg ik wel eens. Maar wie het uit een ander oogpunt beziet, heeft eveneens gelijk.

Langs de Dorpsstraat van Assendelft liggen enkele honderden vierkante meters grond van Rijkswaterstaat, waar ik mocht zaaien, oogsten, wieden, spitten, snoeien en kijken. Waar ik kon begrijpen hoe het welig tierende straatgras, het uitdijende zevenbladgebied en de zich ondergronds vertakkende brandnetels de taal beïnvloeden en hoe mensen die van de opbrengst van hun akker moeten leven ertoe komen rigoureus weg te ruimen wat afbreuk doet aan hun inkomen. Want het kost veel tijd om je tuin ertoe te brengen alle gewassen tot hun recht te laten komen. De spontaan opgekomen bessenstruik mag groeien, van de tientallen toortsen mogen er heel wat blijven, een vlier, een els en een lijsterbes krijgen een andere plaats en muur is een goede bodembedekker.

Dus wat in de bijbel staat, "laat het opgroeien tot de oogst", geldt maar beperkt. Je móet de kastanjes, van de buren en jezelf, oprapen, zoals je de esdoornopslag en de andere in-de-weg-zitters moet opruimen, als je tenminste nog wat wilt oogsten.

Is het in jezelf ánders? Moet je niet snoeien en inperken om het goede kansen te geven, ook al weet je dat onkruid nooit helemaal vergaat, ja zelfs moet blijven?

vrijdag 27 maart 2026

Verhalen van mijn vader (10)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
"Vind je het goed, als ik je een konijntje cadeau doe", vroeg Nadine aan me. "Want ons konijn heeft drie jonkies en we houden er maar één."

"Wat moet ik ermee", dacht ik en mijn gedachten gingen terug naar Broekerhaven, waar we woonden van 1927 tot 1960. Toen de hongerwinter dreigde kochten we een konijntje, zodat we met kerst een boutje zouden hebben. Dat was niet het enige ijzer dat in het vuur lag: onze geit liep in De Weed, kilometers van huis, en onze tarwe groeide in de Wieringermeer. Wie kon vermoeden dat alleen onze geit zou resten? Want de polder raakte onder water en op een ochtend stond het konijnenhok open. De dief had zich over de bevroren sloot uit de voeten gemaakt.

Maar ik overlegde met mijn groep over Nadines aanbod en toen het konijntje zes weken oud was, kwam het op school. We hielden het tot de zomervakantie in ons lokaal en ik herinner me, dat Witje -telkens wanneer we in de kring zaten- over de knieën van de kinderen rondging.

Als we dictee hadden, stond ik. Maar al gauw liep Witje rondjes om me heen, zó dat ik bang was een stap te doen. Om daaraan te ontkomen verplaatste ik me voortdurend, want ik werd tureluurs van dat gedraai. Maar wat ik ook deed, Witje bleef volhouden. Toen ik tenslotte op de brede vensterbank stapte, in de veronderstelling veilig te zijn, sprong hij eróp: een halve meter is niet veel.

Toen de zomervakantie begon, heb ik Witje achter ons huis in een gekregen hok gezet. Daar is hij gebleven. In het lokaal is nog zichtbaar waar hij knaagde.

vrijdag 20 maart 2026

Verhalen van mijn vader (9)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Schaamte

Nicolaas Beets, schrijver-dominee, schijnt het gezegd te hebben: de grootste vijand van het goede is niet de liefde tot het kwade, doch de valse schaamte voor het goede zelf.

In de trein vanuit Amsterdam, op maandag 24 maart 1997, las ik een stukje uit Neil Postmans 'Wij voeden op tot niets' ('The end of education') en weer overkwam het me dat ik droomde.

Gebrek aan dromen, aan utopieën, heb ik nooit gehad. Het is de vraag of zelfs de grens van Utopia in zicht komt, of ik eraan kan bijdragen dat we een snippertje naderen tot welzijn-voor-iedereen. Want voor hetzelfde geld werken mijn pogingen en die van anderen averechts.

In die trein, terwijl ik las, hoorde ik twee jonge vrouwen-in-opleiding intensief praten, d.w.z. de een fungeerde als aangever en de ander volgde met enthousiaste uiteenzettingen. Ik begreep dat het over onderwijs ging hoewel ik geen pogingen deed om het te kunnen volgen, hoe gemakkelijk het ook gekund had. Ineens kreeg ik de opwelling om Postmans boek cadeau te doen aan een van hen, aan de bevlogen praatster.

Ik deed het niet. Zodat Nicolaas Beets gelijk kreeg.

vrijdag 13 maart 2026

Verhalen van mijn vader (8)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
De illustratie is dit keer een kleine persoonlijke toevoeging. Sommige leerkrachten staan erop dat er geen shit gezegd wordt, voor anderen telt de intentie van het woordgebruik.

Grove en gevleugelde woorden

'Gij zult de naam van de Heer, uw God, niet zonder eerbied gebruiken'. Al vroeg moesten we dat uit ons hoofd leren. Ik denk dat ik elke keer bij het biechten het vloeken in het vaste rijtje zonden opgelepeld heb. Maar vloeken is niet erg, tenminste niet wat wat in die tijd onder vloeken werd verstaan, al vindt de bond die tegen vloeken strijdt nog steeds, dat je niet 'sodemieter op' mag zeggen. Voor mij was het een middel om van mijn hart geen moordkuil te maken.

Pas in militaire dienst, toen ik vierentwintig was, kreeg ik een ander zicht op vloeken, op het echte vloeken: Gods naam hechten aan mensenwerk dat onrecht in stand houdt.

Ik heb de jaargangen van 'G 3', het tijdschrift dat zulke dingen verhelderde, lang bewaard. 'Goede Geest Gemeenschap' betekenden die drie G's, die uiting van elan die de tweede fase van mijn bekering tot gevolg had.

Maar sterke woorden ben ik lang blijven gebruiken, om het niet-zuivere in me tot uiting te brengen. De uitdrukkingen die een groep schoolverlaters genoteerd heeft op een met wit papier beplakte bus, getuigen daarvan: 'het piest persas', 'kijk, een boertje op de dijk', 'val in mijn stront', 'tok, tok, tok, al weer een ei', 'opschudding in muizendorp', 'tot de pruimentijd', 'je moet er niet met je pet naar gooien', 'haal je broek maar op', 'nu weten we waar Abram de mosterd haalt', 'je hebt een geheugen als een garnaal', 'ben je helemaal van de ratten besnuffeld', 'ik ben geen politieagent'.

Carlos, Friso, Arjen, Rimke, Guido, Maarten, Frank en Michel waren degenen die deze uitspraken verzamelden. Je kunt enkele van die min of meer krachtige termen onvriendelijk noemen, maar je kunt ze niet los zie van hun context, zoals dat ook bij vloeken zou moeten zijn.

vrijdag 6 maart 2026

Verhalen van mijn vader (7)

Mijn vader was radiotelegrafist in militaire dienst.
Hier graaft hij samen met een andere dienstplichtige
een diepe kuil waarin de centrale moet komen.


De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.

Tunnel

Als een trein een tunnel ingaat, in Frankrijk en elders, laat de machinist een snerpend signaal horen. Is dat bedoeld voor iemand die in de tunnel is? Zou een dier in de tunnel op tijd kunnen vluchten of weg kunnen duiken op de grond?

Voor mij, die in de trein zit, is elk tunneltje even wennen. Maar zelf een tunnel inlopen: ik moet er niet aan denken. Als er licht gloort aan het eind kan het nog, maar ik zal niet gauw een tunnel zonder uitzicht ingaan.

Ik zie me nog voor de bochtige rioolbuis, manshoog bijna, waar ik met mijn militaire plunje in moest om te oefenen. Stilletjes ging ik een eindje bij mijn lotgenoten vandaan om te verschuilen tussen de bomen. Toen de oefening voorbij was, kwam ik pas terug, onopgemerkt. Ik praatte daar met niemand over, maar thuis wisten ze het.

Hoe kom je aan zoiets, een angst voor een tunnel, aan angst voor complete duisternis, ook als je in een huis bent? Komt het voort uit een prenatale angst, angst van je moeder die op je overgeslagen is toen je in de baarmoeder leefde? Of is het daar lichter dan je zou verwachten?

vrijdag 27 februari 2026

Verhalen van mijn vader (6)

Sequoia's in Seqouia National Park door Tuxyso


De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.

Boven het maaiveld uit

Toen we, tijdens een werkweek van onze school, met een twintigtal kinderen en vier begeleiders in het Arboretum in Wageningen waren, vertelde een gids ons over een oude boom, die daar geplant was bij de oprichting van de Landbouwhogeschool, zo'n honderd jaar geleden. Sequoia dendron heette die reus, genoemd naar een indianenhoofdman, die zijn nek uitstak door o.a. te bevorderen dat de indianen honderdvijftig jaar geleden zouden leren lezen en schrijven.
"Die boom is drieëntwintig meter lang en elk jaar probeert hij langer te worden. De nieuwe takjes leggen echter steeds het loodje als de winterse winden die over de hoge flats (23 meter) uitwaaien, de top treffen."

Vele jaren later, in 1994, lag ik in het ziekenhuis in Beverwijk op de vierde etage. We keken uit op een prachtige boom. "Dat is een salix vitalina", zei de tuinarchitect die op onze zaal lag. Het was voorjaar, april-mei, maar ik ontdekte dat de takjes die de wilg langer wilden maken, hun blaadjes grotendeels verloren hadden. "Dat komt", zei mijn zegsman, "door de Hoogovengassen."

Het is vooral de cultuur die ons binnen de alledaagsheid wil dwingen.

vrijdag 20 februari 2026

Verhalen van mijn vader (5)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.

Zebravinken

Het is een wat vreemd verhaaltje. Als iemand het me verteld had zou ik het misschien niet geloofd hebben, want het gaat over "stomme" dieren.

We kregen twee zebravinken in een kooi. An Huygen had gevraagd of we die wilden hebben. Ik weet niet meer waarom ze die twee vogeltjes - een vader en zijn zoon- kwijt wilden, maar het was wel vrolijk, het slaan van de vinken en het bewegen in de kooi. Elke avond stuurde de vader zijn zoon het nestkastje in, alsof hij wilde zeggen: "Het is bedtijd". De zoon gehoorzaamde braaf.

Het zal een aardig tijdje geduurd hebben voordat we ontdekten dat de vader oud werd. Toen bleek dat het naar-bed-sturen niet op gezag, maar op kracht berustte. Op een goeie dag, voor de vader een slechte, waren de rollen omgedraaid: pa werd het kastje in gestuurd.

Dat vond ik te gek. Ik ging bij de kooi staan en begon te praten: "Nee, nee. Zo gaat dat niet. Je stuurt niet je ouwe vader naar bed." Ik bleef doorpraten in de hoop dat het effect zou hebben. En jawel: pa kwam uit het kastje en stuurde zoon erin. Meerdere avonden heb ik dat gedaan. Of ik het ben blijven doen tot pa zijn tijd beëindigde?

vrijdag 13 februari 2026

Verhalen van mijn vader (4)

De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.

Roken

Ik zie ze op verjaardagen en feestjes nog in onze kamer zitten: oom Toon, oom Ben, oom Herman en mijn vader. Ze genoten van hun borreltje en hun sigaar. Het was of dat hun hemel was. Ze konden niet vermoeden dat er ooit een 'break' hun bestaan zou komen.

We verkochten van alles in onze kruidenierswinkel in Broekerhaven, ook tabaksartikelen en vleeswaren. Voor dat laatste hadden we een vleessnijmachine, die konden instellen op de gewenste plakjesdikte. Maar het werd oorlog en na de eerste oorlogsjaren stagneerde alles, zodat er op een bepaald moment noch vlees, noch tabak in voorraad was. Wie vlees wilde blijven eten, moest zelf slachten b.v. een konijn of een geit. Wie wilde blijven roken moest zelf tabaktelen. Hoe moeizaam de tabaksplant hier ook groeide, hoe slecht de kwaliteit van de gedroogde bladeren ook was, het moest gek gaan als je niet toe kwam aan je shaggie. Gelukkig hadden we de vleessnijmachine. Die stond als het ware te wachten op nieuw werk. We schoven een stapeltje tabaksbladeren voor het scherpe mes, net zolang totdat de tabak fijn genoeg werd om in een vloeitje te rollen of in een stukje krantenpapier. Toen de oorlog eindigde was het mes onbruikbaar geworden.

Hoe lang het geduurd heeft voor mijn ooms en mijn vader weer als vorsten van hun sigaar genoten, weet ik niet. Maar ik ben nooit aan roken begonnen en zij hebben vastgehouden aan wat zij dachten en wij zongen: "Hotsjek, hotsjek, eigen teelt is rotshag. Geef mij maar een pakje van BK."

vrijdag 6 februari 2026

Verhalen van mijn vader (3)

Idyllisch plaatje uit 2018 van het plaatsje Broekerhaven waar mijn vader Daan Klaassen opgroeide

Hieronder een gedeelte uit het verhaal "Buren" geschreven door hem.

Buren
Bij Afie ging mijn moeder wel eens buurten. Dat deed ze 's avonds. Misschien om de dagelijkse zorgen van zich af te wentelen of gewoon voor de gezelligheid. Ik denk dat soms de tijd vergeten werd, want meer dan eens haalde mijn vader haar op.

Van één keer herinner ik me dat scherp, want toen werd ik wakker en riep om mijn moeder. Maar hoe ik ook riep: er kwam niemand. Vlak ervoor had ik in de eerste klas in '40-'41 het sprookje van Klein Duimpje gehoord, dat jongetje van arme ouders, door hen in de steek gelaten. Dat verhaal leek zich te herhalen. Ik bleef, al wanhopiger, roepen, samen met mijn twee jongere broers en mijn zusje.

Toen mijn ouders de deur uitgingen bij Bertus en Afie hoorden ze dat gegil. Ze zullen haastig naar huis gegaan zijn, maar ze zorgden daarna altijd voor oppas. Dat was niet zo moeilijk, want de oudste buurkinderen waren veel ouder dan wij.

vrijdag 30 januari 2026

Verhalen van mijn vader (2)

Ter inleiding: mijn vader Daan Klaassen is na een langdurige ziekte op 66-jarige leeftijd overleden in 2001. Hij was (lesgevende) directeur van een basisschool, maar hield ontzettend veel van schrijven. Op latere leeftijd volgde hij de schrijversvakschool in Amsterdam en gaf daarna schrijfcursussen in het buurthuis. Hij heeft veel teksten nagelaten, waarvan ik er elke vrijdag eentje plaats op mijn blog. Dit keer een verhaal uit 1997 over het bombardement van de Marinewerf van Den Helder op 19-2-1943.

Een zeepbel

Als een zeepbel is je bestaan.

In 1943, precies vierenvijftig jaar geleden, waren er, in Den Helder bij de scheepswerf, mensen op zoek naar vermisten. De laatste die gevonden werd was mijn zevendertigjarige oom Antoon, de jongste broer van mijn vader. Overdekt met zand en betonresten werd hij gevonden, vlak bij een schuilkelder. Hij was een van de tweeënvijftig slachtoffers van het bombardement van de geallieerden. Zijn foto hangt nog bij mijn zeventigjarige neef Daan Heiting, die als vijftienjarige bij het inslaan van de brisantbommen op straat was gaan liggen, onder zijn fiets.

Een flierefluiter werd die oom bij ons thuis genoemd, een vrijgezel die het huis waarin zijn ongetrouwde zusters het heft in handen hielden ontvluchtte, door in het weekend regelmatig naar Amsterdam te gaan, samen met Kees, een broer die toen eveneens ongetrouwd was. Zijn zwager, Ben Heiting, die commandeur was op de Werf, had hem naar Den Helder gehaald, zodat hij ontkwam aan de tewerkstelling in Duitsland. Vond hij onderduiken te riskant? Het liep af zoals het in het gedicht van P.N. van Eyk, 'de tuinman en de dood', staat: Den Helder werd zijn Ispahan.

vrijdag 23 januari 2026

Verhalen van mijn vader

Ter inleiding: mijn vader Daan Klaassen is na een langdurige ziekte op 66-jarige leeftijd overleden in 2001. Hij was (lesgevende) directeur van een basisschool, maar hield ontzettend veel van schrijven. Op latere leeftijd volgde hij de schrijversvakschool in Amsterdam en gaf daarna schrijfcursussen in het buurthuis. Hij heeft veel teksten nagelaten, waarvan ik er elke vrijdag eentje plaats op mijn blog.

Winkelsluiting

Toen we in Broekerhaven woonden, in onze jeugd, hadden we een kruidenierswinkel. Die ging niet om negen uur open en ook niet meteen nadat we uit bed waren. Maar wie 's morgens vroeg wat wilde kopen, kwam achterom.

De vierentwintiguurseconomie, die de oude tijd op zijn kop dreigt te zetten, gold nog lang niet, maar of we nu ons warme eten aten, of na zessen de winkel op slot hadden: achterom waren we altijd open. Niemand mocht zijn neus stoten, want dan gingen ze naar Bertus de Graaf, de volgende winkel, die honderdvijftig meter verderop was. 's Morgens waren klanten achterom niet zo'n probleem, want zelfs in de vroegopperstijd trof je een open achterdeur, maar we hadden er een hekel aan om gestoord te worden bij het eten en na zessen. Met ongeveer tien mensen in huis hadden we het druk genoeg.

Hoe lang, hoeveel decennia, of waren het eeuwen, hebben de mensen meerdere beroepen moeten uitoefenen om de eindjes aan elkaar te knopen? In 1927 begon, voor mijn ouders, de nering. De noodzaak, voor mijn vader, om er een tweede beroep bij te doen, kwam in de Tweede Wereldoorlog, toen de winkel aan het eind bijna leeg was.

Vandaag lijkt het anders. Maar of je nu een eigen winkel hebt, of bij Albert Heijn werkt, als werknemer: het huishoudgeld blijft krap.