De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Zingen
"Flink in de pas loop ieder mee, manke Hein en kleine Kee", zong Toon Postel, mijn oom, op gezellige bijeenkomsten. Een borreltje trok hem altijd over de streep. Je kunt het niet meer meebeleven, want hijzelf, zijn gestalte, zijn vrolijke gezicht en zijn timbre ontbreken.
Tientallen jaren later lopen we in Frankrijk bij Faverges, en ineens schiet dat lied me te binnen en zing ik het in de maat van mijn pas. Vreemd.
Zo gaat het steeds, de laatste jaren: er welt ineens iets in me op, een recent lied, een vroegere melodie of een tekst die me bijgebleven is. "Hey, molentje, molentje, hoog in de lucht, wat sta je weer dapper te draaien. Je doet of je 't uiterst noodzakelijk vindt, het licht van de zomer te maaien ..." en dan aarzel ik. Kloppen de woorden wel?
En ik denk: hoe zou zo'n lied ontstaan zijn? Hoe kwam Beethoven op: "Signor Abate! Io sono, io sono, io sono ammalato. Santo Padre vieni e date mi la benedizione, la benedizione. Hol' Sie der Teufel, wenn Sie nicht kommen, hol' Sie der Teufel, wenn Sie nicht kommen. Hol' Sie der Teufel." Of is alleen de melodie van hem?
Hoe kwam meester Van Erp erbij om ons dat in de vierde klas van de lagere school, in het jaar van de hongerwinter, te leren?
7 uur geleden


Geen opmerkingen:
Een reactie posten