De komende vrijdagen publiceer ik steeds een van de verhalen die mijn vader Daan Klaassen (1934-2001) heeft geschreven.
Buurtgenoten
De straat was ons speelterrein voor trefbal, touwtje springen, hinkelen en voetballen. Dat kón toen nog. Als we voetbalden waren de doelen, ter breedte van de halve straat, bij de putjes, de ijzeren roosters waardoor het hemelwater naar het riool ging. Ik schat dat het speelveld veertig meter lang was.
We speelden voorzichtig: geen hoge verre trappen, maar samenspel over de grond. Want we wilden zo weinig mogelijk overlast bezorgen. Toch belandde de bal soms in het voortuintje van deze of gene buurtgenoot. Dat was bij de ene buur minder erg dan bij de andere. Er waren er van wie je voelde dat er helemaal geen ergernis was, maar bij anderen moest het niet te vaak gebeuren. Bij de een kon openlijk de bal pakken, bij de ander moest je het ongemerkt proberen te doen.
Het stiekemst moest het bij vrouw M. Die was komen wonen in het huis van buurman en buurvrouw Ruyter. Vrouw M. ging door voor een communist, maar of dat ermee te maken heeft betwijfel ik. Voor elke bal die over haar dichte hek terechtkwam, moest je én snel én steels te werk gaan: gauw het poortje openen en onder de ramen doorduiken om de bal te pakken. Het was alsof ze altijd op de uitkijk stond, want meer dan eens repte ze zich uit de zijdeur om ons voor te zijn zodat ze de bal kon inpikken. En áls ze hem had, kreeg je hem niet meer terug. Nog erger was het wat ze ook wel eens deed: de bal doormidden snijden.
Vreemd, dat je zo'n eenzijdig beeld van de mensen om je heen kon hebben, vooral van de mensen die niet tot een kerk behoorden. Is het nu hetzelfde, nu we ouder zijn en vijfentwintig jaar in hetzelfde huis wonen?
Voorlopig is dit even het laatste verhaal van mijn vader. Er zijn er meer, maar daar komen bijvoorbeeld te goed herkenbare mensen in voor. Mogelijk vind ik later andere geschikte schrijfsels.
1 uur geleden


Geen opmerkingen:
Een reactie posten